Werkloosheid: Grondwettelijk Hof bevestigt grotendeels hervorming, maar deel overgangsregeling vernietigd

Tags
Categorie Sociaal
Werkloosheid: Grondwettelijk Hof bevestigt grotendeels hervorming, maar deel overgangsregeling vernietigd

Op 10 september 2026 heeft het Grondwettelijk Hof uitspraak gedaan over verschillende beroepen tegen de hervorming van de werkloosheidsreglementering. Het Hof heeft de hervorming grotendeels bevestigd, maar heeft een deel van de overgangsregeling vernietigd.

De hervorming van de Arizona-regering, die in juli 2025 werd aangenomen, beperkt de werkloosheidsuitkeringen tot twee jaar, met uitzondering van bepaalde groepen. De werkloosheidsverzekering wordt een tijdelijke bescherming die mensen naar een nieuwe job begeleidt en tegelijk het voortbestaan van onze sociale zekerheid waarborgt. De hervorming heeft tot doel werken meer te laten lonen, de begeleiding van werkzoekenden te versterken, ontplooiing door activiteit in plaats van inactiviteit aan te moedigen en de sociale rechtvaardigheid te herstellen. Er werden eind oktober 2025 beroepen ingesteld tegen deze hervorming bij het Grondwettelijk Hof, met name door de vakbonden.

Het Hof bevestigt dat het principe zelf van een beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen verenigbaar is met onze Grondwet. Wat de ‘overgangsregeling’ betreft, is het Hof van oordeel dat het discriminerend is dat de mensen die het langst werkloos waren (namelijk diegenen die zich in de derde uitkeringsperiode bevonden op 30 juni 2025), nog slechts recht hadden op werkloosheidsuitkeringen gedurende 9, 8 of 6 maanden vanaf 1 juli 2025, terwijl de toekenningsduur in de nieuwe regeling in principe 12 maanden bedraagt. Het Hof vernietigt de ‘overgangsregeling’ van de maatregel.

Concreet oordeelde het Hof dat sommige langdurig werklozen, die onder de overgangsregeling nog minder dan twaalf maanden recht op werkloosheidsuitkeringen kregen, ongelijk werden behandeld. Het gaat om personen die zich op de datum waarop de duur van het nog toe te kennen recht werd bepaald in de derde vergoedingsperiode bevonden en die daardoor nog slechts 9, 8 of 6 maanden uitkeringen konden ontvangen. Volgens het Hof is dat discriminerend, omdat de nieuwe algemene regeling in principe voorziet in een recht van ten minste twaalf maanden.

De gevolgen van dit arrest worden momenteel verder onderzocht.