Door het ouderschapsverlof kan de werknemer zijn/haar arbeidsprestaties tijdelijk schorsen of verminderen om te zorgen voor zijn/haar kinderen.
Onderstaande werknemers hebben recht op ouderschapsverlof:
- de biologische moeder en de wettelijke vader van het kind
- de persoon die het kind heeft erkend waardoor de afstamming langs vaderszijde komt vast te staan
- de echtgenote of de partner van de biologische moeder van het kind die meemoeder is geworden
- de adoptieouders
- de pleegouders die een kind onthalen in hun gezin in het kader van langdurige pleegzorg (waarbij het kind voor minstens 6 maanden in hetzelfde pleeggezin en bij dezelfde pleegouder(s) zal verblijven)
Een werknemer kan van het ouderschapsverlof gebruik maken zolang zijn/haar kind de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt op de aanvangsdatum van de gevraagde onderbrekingsperiode. Bij een kind met een handicap wordt de leeftijd verhoogd naar 21 jaar.
Er bestaan 4 vormen van onderbreking voor ouderschapsverlof:
- Een volledige onderbreking (maximum 4 maanden)
- Een onderbreking tot ½ (maximum 8 maanden)
- Een onderbreking met 1/5 (maximum 20 maanden)
- Een onderbreking met 1/10 (maximum 40 maanden)
De werknemer dient zijn/haar werkgever, ten vroegste 3 maanden en ten laatste 2 maanden vóór de gewenste begindatum, schriftelijk op de hoogte te brengen van zijn/haar wens om het ouderschapsverlof op te nemen, met vermelding van de gewenste onderbreking.
Ten laatste op het ogenblik waarop het ouderschapsverlof begint, dient de werknemer bewijzen te bezorgen aan de werkgever, zoals een kopie van de geboorteakte, attest van de adoptieprocedure, attest van de gezinssamenstelling, attest van de handicap, attest inzake langdurige plaatsing van het kind in het gezin, attest van inschrijving van het kind in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister,…
De werknemer dient dan een aanvraag in te dienen bij de RVA wanneer de begindatum van het ouderschapsverlof met de werkgever werd overeengekomen.
Je kan het begin van het ouderschapsverlof uitstellen als de gevraagde periode de goede werking van jouw dienst ernstig verstoort. Je hebt hiervoor 1 maand nadat je op de hoogte bent gebracht van de wens van ouderschapsverlof. Dit uitstel dient wel gemotiveerd te worden. Ten laatste 6 maanden na dit uitstel zal het ouderschapsverlof dan beginnen.
Je kan het ouderschapsverlof niet weigeren indien de werknemer voldoet aan onderstaande voorwaarden:
- minstens 12 maanden anciënniteit bij u hebben
- op de aanvangsdatum van de gevraagde onderbrekingsperiode is het kind jonger dan 12 jaar. Voor kinderen met een handicap ligt die grens op 21 jaar
- de maximumduur van het ouderschapsverlof voor het betrokken kind is nog niet helemaal opgebruikt
- in geval van aanvraag om ouderschapsverlof, in de vorm van een gedeeltelijke onderbreking tot 1/2 met 1/5 of met 1/10, een voltijdse betrekking hebben
- als de werknemer 1/2, 1/5 of 1/10 ouderschapsverlof wil opnemen, moet hij/zij momenteel voltijds werken
Te onthouden
Hoewel je het ouderschapsverlof zelf niet kunt weigeren, kan je in bepaalde gevallen de startdatum uitstellen met maximaal zes maanden als de afwezigheid van de werknemer de werking van jouw bedrijf ernstig verstoort.
