Welke maatregelen moet ik nemen bij lage temperaturen?

Tijdens de winter dalen de temperaturen en wordt de koude voelbaar voor de werknemers die buiten werken of in niet verwarmde lokalen. Om deze reden voorziet de wetgeving op het welzijn op het werk een aantal maatregelen die de werkgever in acht moet nemen om de gezondheid van zijn werknemers te vrijwaren. Zo mag de omgevingstemperatuur op de arbeidsplaats niet minder bedragen dan 18° voor zeer licht werk, 16° voor licht werk, 14° voor gemiddeld werk, 12° voor zwaar werk en 10° voor zeer zwaar werk. Wanneer het niet mogelijk is om deze temperaturen te behouden op de arbeidsplaats dient de werkgever technische en organisatorische maatregelen te treffen om deze temperaturen opnieuw te bereiken of om de werknemers te beschermen tegen de kou. Als het buiten koud is, moeten de niet afgesloten lokalen of de werkplaatsen in open lucht uitgerust worden met verwarmingstoestellen wanneer de buitentemperatuur lager is dan 5° en dit tussen 1 november en 31 maart. De verwarmingstoestellen moeten zo geplaatst worden dat het voor de werknemers mogelijk is om zich op regelmatige tijdstippen te komen verwarmen. Kleinhandelszaken moeten een vloerbedekking voorzien en een verwarmingstoestel voor de verkopers die buiten worden tewerkgesteld wanneer de temperaturen zakken onder 10°. Het is bovendien verboden om iemand buiten achter een toonbank tewerk te stellen wanneer de temperatuur onder de 5° zakt. In dergelijke condities moet er ook een specifiek uurrooster zijn. Wanneer de werknemer dagdagelijks tewerk wordt gesteld in een ruimte waar de temperatuur niet meer bedraagt dan 7° ( bv. in grote frigo’s) moet de gezondheid van de werknemer nauw in het oog worden gehouden.