Ga naar de inhoud
Let op: Om de gebruikerservaring op deze site te verbeteren gebruiken we cookies.

Pers

Pers en communicatie

U bent journalist en zit met vragen? Aarzel niet om ons te contacteren.

Christine Mattheeuws

Voorzitter NSZ

christine.mattheeuws@nsz.be
0476 44 74 97

Sven Nouten

Communicatieverantwoordelijke

sven.nouten@nsz.be
0477 23 80 74

Drie jaar na kredietwet blijft het voor zelfstandigen en kmo’s moeilijk om financiering rond te krijgen

Drie jaar na kredietwet blijft het voor zelfstandigen en kmo’s moeilijk om financiering rond te krijgen

De kredietwet die begin 2014 inging is dringend aan een grondige evaluatie toe. Dat beseft ook minister van Middenstand Willy Borsus (MR). Banken moeten sinds begin 2014 een gedragscode hanteren tegenover ondernemers. Bedoeling daarvan: de toegang van ondernemers en kmo's tot leningen vergemakkelijken. Nu, bijna drie jaar na de inwerkingtreding van de code, blijkt dat doel allesbehalve behaald. Uit onderzoek van NSZ, waaraan 659 ondernemers deelnamen die sinds 2014 een krediet aanvroegen bij een bank, blijkt dat 74 procent vindt dat banken sindsdien net moeilijker krediet toekennen. 66 procent betreurt dat banken nu meer gegevens vragen, terwijl 77 procent van de ondernemers, die een krediet geheel of gedeeltelijk geweigerd zagen, niets merkt van de informatieplicht die banken sindsdien hebben. Ook de wettelijke regeling voor de wederbeleggingsvergoeding valt slechts bij een derde van de ondernemers in de smaak.

De kredietwet, ook gekend onder de naam wet Geens-Laruelle, ging in voege op 10 januari 2014. Een belangrijk onderdeel van die wet betrof de gedragscode die tussen banken en ondernemers geldt en tot bedoeling had om tot een vlottere financiering te leiden bij zelfstandigen en kmo’s. Nu, bijna drie jaar verder, roept minister Borsus op om deze wet te evalueren. Uit onderzoek van NSZ, waaraan 659 ondernemers hebben deelgenomen die sinds 2014 één of meerdere kredieten aanvroegen bij de banken, blijkt in ieder geval dat er veel werk aan de winkel is.
Van die 659 ondernemers kreeg 69 procent het volledige kredietbedrag toegekend, 12 procent moest zich tevreden stellen met een deel van het gevraagde bedrag, terwijl 19 procent hun krediet volledig geweigerd zag. Ruim driekwart (77 procent) van alle ondernemers die een krediet volledig of gedeeltelijk geweigerd zagen, zegt ook niets te merken van de informatieplicht die banken hebben bij zo’n weigering. Opmerkelijk is bovendien dat ondernemers die een kredietweigering kregen in slechts 13 procent van de gevallen informatie kregen over alternatieve financieringsvormen, zoals crowdfunding, de win-winlening of micro-financiering. Dat kan en moet volgens NSZ pakken beter.

Ondanks de wet en de gedragscode vindt 74 procent van de ondernemers niet dat banken nu gemakkelijker een krediet toekennen dan voor 2014. Nochtans was dat net het centrale oogpunt van die wet. Bovendien merkt 66 procent van de ondernemers op dat banken sinds de wet en de gedragscode meer gegevens en informatie opvragen over de haalbaarheid van het project. Zo moeten banken sindsdien info opvragen over de positionering van de onderneming binnen de sector waarin die actief is, de actuele (tussentijdse en gedetailleerde) financiële resultaten en het financieel plan, de uitstaande financieringen op ondernemings- en groepsniveau, de bestaande persoonlijke en zakelijke zekerheden en beschikbare activa. Op zich begrijpelijk, maar probleem is dat daardoor niet alleen het hele proces veel langer aansleept, maar ook dat banken kredieten moeten weigeren waar ze dat vroeger niet deden.

En, last but not least, blijft de wederbeleggingsvergoeding het belangrijkste struikelblok voor heel wat ondernemers. De wederbeleggingsvergoeding, die betaald moet worden wanneer een kredietnemer een krediet vervroegd terugbetaalt (vaak met de bedoeling om daarna een goedkoper krediet te kunnen afsluiten) of wanneer een bank een krediet stopzet, werd door de wet Geens-Laruelle voor leningen tot 1 miljoen en afgesloten sinds begin 2014 beperkt tot 6 maanden. Voor 2014 werd die vergoeding contractueel geregeld, doorgaans via weinig transparante berekeningsclausules. Gevolg: torenhoge wederbeleggingsvergoedingen, die zelfs tot meer dan 50 procent van het resterend saldo konden oplopen. De beperking van de wederbeleggingsvergoeding tot 6 maanden betekent dus zeker een absolute vooruitgang, maar die maatregel geldt enkel voor kredieten die afgesloten zijn sinds 2014 en niet voor kredieten die daarvoor werden aangegaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat 68 procent van de ondernemers vindt dat die beperkte wederbeleggingsvergoeding ook moet gelden voor kredieten die voor 2014 werden aangegaan. “Begrijpelijk”, oordeelt NSZ-voorzitter Christine Mattheeuws, “want nu zit je met een discriminatoire situatie die stoelt op een arbitraire grens. Dat is niet fair.”

deel dit

Word NSZ-lid

Ervaar alle voordelen van ons lidmaatschap

Registreer