Uitbreiding overbruggingsrecht moet stap zijn naar werkloosheidsuitkering voor alle, stoppende zelfstandigen

Uitbreiding overbruggingsrecht moet stap zijn naar werkloosheidsuitkering voor alle, stoppende zelfstandigen

Sinds 1 januari krijgen zelfstandigen via het overbruggingsrecht een uitkering wanneer ze hun zaak moeten stopzetten omwille van economische moeilijkheden. Nu is eindelijk ook duidelijk wat men onder die economische moeilijkheden verstaat. Om aanspraak te kunnen maken op die uitkering moet een zelfstandige ofwel een leefloon krijgen of een vrijstelling van betaling van sociale bijdragen gekregen hebben of per jaar minder dan 13.010 euro aan inkomsten gehad hebben. In theorie kan 1/3de van alle zelfstandigen in hoofdberoep gebruik maken van het overbruggingsrecht omdat ze per jaar minder dan 13.010 euro aan inkomsten hebben. “Op zich is deze uitbreiding van het overbruggingsrecht een stap in de goede richting”, zegt NSZ-voorzitter Christine Mattheeuws. “En toch zou het niet meer dan fair zijn dat ook alle zelfstandigen recht hebben op een werkloosheidsuitkering, ongeacht of ze, net als bij werknemers, veel of weinig inkomsten hadden.”

Zelfstandigen die hun zaak om economische redenen moeten stopzetten, kunnen sinds 1 januari 2017 ook van het overbruggingsrecht genieten. Tot eind 2016 hadden enkel zelfstandigen die failliet werden verklaard of hun activiteit gedwongen moeten stopzetten als gevolg van een ramp, een brand, een plotse allergie of vernielde bedrijfsgebouwen recht op dat overbruggingsrecht. Wie van het overbruggingsrecht geniet, krijgt gedurende maximum 12 maanden tijdens de hele carrière een maandelijkse uitkering van 1168 euro (als alleenstaande) tot 1460 euro (met minstens één persoon ten laste).

Een Koninklijk Besluit maakt nu bekend wat er onder ‘economische moeilijkheden’ verstaan moet worden. Zelfstandigen in economische moeilijkheden hebben ofwel recht op een leefloon of hebben een vrijstelling van betaling van sociale bijdragen verkregen in de 12 maanden voorafgaand aan de stopzetting of ze hadden het jaar van de stopzetting en het jaar daarvoor inkomsten die de minimumdrempel van het hoofdberoep niet overschreden (met andere woorden minder dan 13.010 euro per jaar). Die criteria zorgen eindelijk voor de nodige duidelijkheid en betekenen volgens NSZ ook een stap in de goede richting. Uit RSVZ-cijfers blijkt immers dat 1/3de van alle zelfstandigen in hoofdberoep in 2015 minder dan 13.010 euro aan inkomsten had. 1/3de van alle hoofdberoepers zou dus in aanmerking komen voor dit overbruggingsrecht.

NSZ-voorzitter Christine Mattheeuws: “Toch blijven wij ijveren voor een uitkering voor alle zelfstandigen die hun zaak, al dan niet noodgedwongen, stopzetten. Nu hebben enkel de minst verdienende zelfstandigen daar recht op, maar bij werknemers wordt er met de hoogte van het loon geen rekening gehouden wanneer er na ontslag sprake is van een werkloosheidsuitkering. Zelfs een topmanager die per maand 10.000 euro verdient en de bons krijgt, heeft recht op een werkloosheidsuitkering. Dan is het toch schrijnend dat een zelfstandige pas recht heeft op een uitkering wanneer hij per maand maximum 1084 euro aan inkomsten heeft. Wie iets hogere inkomsten heeft, krijgt niets. Dat is niet fair.”

deel dit